Het verhaal
close

De onzichtbare man

De man woont al 23 jaar in Amsterdam. Hij lijdt een leven als een geest, half zichtbaar, half onzichtbaar. Door omstandigheden zit hij twee jaar in de gevangenis maar heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan. Er zijn perioden waarin hij elke dag mijn atelier bezoekt. We hebben elkaar vier jaar intensief gezien met tussenpozen waarin we elkaar niet zagen. De man heeft verschillende woonplekken en vele geheimen. Ik raak geïnteresseerd in zijn leven. We praten veel. Ik stel vragen, hij geeft antwoorden. Soms geeft hij verschillende antwoorden op dezelfde vragen. We drinken veel thee. Hij is geenszins een zielige man. Wel ongrijpbaar. Wie is deze man? Hoeveel identiteiten heeft deze man? Hij vormt voor mij een toegang tot een onzichtbare maatschappij in Amsterdam waar ik het bestaan niet van wist. Met de foto’s reconstrueren we een onzichtbaar leven. Maar niet alleen zijn leven. Karim Ramtani leidt een leven dat miljoenen andere mensen in Europa leiden. Ontheemd. Verborgen.

 

Notities

Michiel Voet

 

Amsterdam-Noord, 1993, de NDSM werf. Het terrein ligt er nog verlaten bij. Het faillissement van de werf is nog heel zichtbaar. Het terrein trekt verschillende groepen mensen aan. Drop-outs, kunstenaars, circusartiesten, illegalen. Er vestigt zich ook Rezatex. Een kleding recyclingbedrijf waar illegalen werken. Helaas gaat Rezatex failliet. Het bedrijf wordt gesloten. De illegale mannen en vrouwen verdwijnen uit het zicht en duiken onder in nieuwe onzichtbare lagen van de stad. Enkele kledingbalen blijven achter in de loods van Rezatex. Asbakken vol met sigaretten. Een cassetterecorder met TDK cassettes. Thee-glazen en een theepot. Er blijft ook één man achter. Hij heeft nog een reservesleutel van de loods. Zonder dat iemand het weet woont die man daar. Wachtend op een nieuwe bestemming van de loods. Hij heet Mohammed. Algerijn. Tengere man. Edel gezicht. Hij neuriet Brel en drink veel thee. Hij woont illegaal in Nederland, al veertien jaar.

 

~

 

Ik ben in mijn atelier. Er wordt geklopt. Mohammed komt binnen. We drinken thee. Na twintig minuten ga ik weer werken. Hij blijft zitten bij zijn thee. Hij leest de Spits en een Arabische krant. Hij komt bijna iedere dag. Hij woont naast mijn atelier in een loods, er staat daar nog Rezatex Kleding Recycling op de deur. Ik vraag hem hoe lang hij denk dat hij nog bij Rezatex kan onderduiken. Hij haalt zijn schouders op. Zolang het duurt. Geen zorgen. Er ontstaat een band. Ik raak geïnteresseerd in zijn leven. We praten veel. Het lijken gesprekken maar in wezen zijn het interviews. Ik vraag, hij antwoordt. Als ik dezelfde vragen vaker stel, krijg ik soms verschillende antwoorden. Wie is deze man? Ik probeer zijn antwoorden te construeren tot een verhaal dat ik begrijp. Dat lukt niet. Het wordt steeds ingewikkelder. Uit hoeveel mannen bestaat deze man? Het is ook confronterend. De onverschilligheid waarmee wij in Nederland met illegale bewoners omgaan. Het bureaucratische en juridische moeras waarin hij vastzit. Ik weet niet in welke wereld Mohammed leeft. Waarom hij werkelijk hier is. Hij wordt voor mij een toegang tot een illegale en onzichtbare maatschappij in Amsterdam waar ik het bestaan niet echt van ken. Een schaduwwereld waar mensen wonen zonder documenten, zonder rechten, zonder zekerheden. Een onzichtbare maatschappij die rondom ons is. Vlakbij. Parallel. En bijna niemand ziet het. Totdat je er op let.

 

~

 

Er ontstaat een soort vriendschap. En een plan om samen foto’s te gaan maken over zijn leven. Geen documentairefoto’s over een leven in illegaliteit, maar fotografische en theatrale ensceneringen over ontheemdheid. En Mohammed figureert er zelf in. Hij stemt in. Hij kan het geld gebruiken en het doet hem goed om zijn verhalen te kunnen vertellen. Na het fotograferen bekijken we de foto’s. Samen foto’s maken wordt de smeerolie in onze verbinding. Zodra we de foto’s gaan bekijken begint Mohammed te vertellen. Over Algiers, het Parijs van Noord-Afrika. In 1992 woedt een burgeroorlog in Algerije. In overleg met zijn moeder besluit hij om naar Europa te vertrekken. Zijn neef woont al in Marseille. Ze hebben voor tweeduizend gulden een overtocht kunnen organiseren. Zeer duur maar voor de toekomst van Mohammed van levensbelang. Zijn moeder droomt de nacht voor hij vertrekt. Ze droomt dat hij op reis gaat en dat de deuren overal voor hem open zullen gaan.

 

~

 

We drinken koffie. De telefoon gaat. Mohammed neemt op. ‘Allo, met Karim.’ Mohammed voert een kort gesprek in het Arabisch. Heet hij Karim? Mohammed laat een tijdelijke verblijfsvergunning zien van een paar jaar geleden. Een pasje dat hij sindsdien bij zich draagt. Het heeft geen enkele juridische waarde meer. Het betekent alleen maar dat er ooit sprake was van iets dat op een procedure leek. Er staat Karim Ramtani op. Wie is Karim Ramtani? Hoe komt hij bij die naam? Hij kocht die naam. Er was een tijd in Nederland dat er handel werd gedreven in sofinummers. Hij kocht een sofinummer omdat hij tijdelijk werk vond en daarvoor een sofinummer moest opgeven. De man van wie hij het sofinummer kocht heette Karim Ramtani.
Hij betaalde de man er honderd gulden voor.

Toen hij daarna een keer op straat werd aangehouden gaf Mohammed deze naam op
aan de politie. Een Arabische man in kleding uit de kringloopwinkel: de politie hield een steekproef. Mohammed moet mee naar het politiebureau. Hij geeft een duimafdruk op een formulier. Een duimafdruk die vanaf dat moment aan het dossier van Karim Ramtani toebehoort. Onder zijn pasfoto staat vanaf dat moment de naam Karim Ramtani.

 

~

 

Hij wordt vijf dagen vastgehouden in een cel. Daarna moet hij naar de vreemdelingendetentie. Vier maanden zit hij in een cel met een Chinees en een Ghanees. De drie mannen kunnen geen woord met elkaar wisselen. Ze ontwikkelen een eigen taal. Frans, Engels en zelfbedachte woorden die klanknabootsend ontstaan. Veel gebarentaal.

Er wordt een juridische procedure opgestart voor Mohammed. Hij krijgt een advocaat die om precies te zijn één keer komt. Na vier maanden kan Karim Ramtani de gevangenis verlaten. Hij krijgt een pasje, een verblijfsvergunning voor drie maanden. Hij moet zich vanaf nu melden aan een loket. Hij weet niet goed op welk adres hij zich moet melden. Maar hij vraagt het ook niet. De advocaat heeft hij nooit meer gesproken. Na vier maanden mag hij zomaar vertrekken. Waarom? Hij heeft geen idee. Waarom hij er zat? Geen idee. Wat hij nu gaat doen? Geen idee.

 Hij is voor bepaalde mensen Karim geworden. Niet voor iedereen. Voor sommigen wel, voor sommigen niet. Het is in alle gevallen handig om twee namen te hebben. Het zaait verwarring en dat is altijd goed. De wereld wordt groter als je twee namen hebt. Twee nationaliteiten. Algerijns en Marokkaans. Twee identiteiten. Het geeft meer mogelijkheden en ingangen om werk te vinden, contacten te leggen, netwerken op te bouwen. Sommige mensen willen met een Algerijn werken, anderen met een Marokkaan. Je vergroot letterlijk je mens-zijn, je bent niet één mens maar twee.

 

~

 

Waarom is Mo hier? Heeft hij een plan? Of leeft hij alleen maar in het nu? Hoeveel bannelingen leven zoals hij in ons schijnbaar gestructureerde Nederland?

 

~

 

Mo woont in mijn atelier. We werken samen. Ik betaal Mo en bied hem onderdak. Mo geeft mij zijn verhalen. Het voelt als een eerlijke deal. Alhoewel, wat is eerlijk? Ik maak een afgietsel van zijn gezicht. We kapselen zijn hele hoofd in met gips. We maken er een mal van. Uiteindelijk houden we een latex masker over. Een exacte kopie van zijn gezicht. Met ogen dicht. Levenloze huid.

 

~

 

En dan te bedenken dat de echte Karim Ramtani ook nog in de stad is. Wie zal de vreemdelingenpolitie bestempelen als de echte Karim Ramtani? Voor Mo is verwarring in alle gevallen goed. Daarom heeft hij ook zijn paspoort vernietigd. Want dat is wat iedereen zegt: zo snel mogelijk je paspoort vernietigen. Geschiedenis wissen. Identiteit vervagen. Onzichtbaar worden. Tijdrekken. Het bureau-cratische web van procedures en criteria in duiken en dan hopen dat je een status verwerft. Zoeken naar procedurefouten. Daar liggen de grootste kansen.

 

~

 

De valse naam Karim Ramtani geeft steeds meer verwarring. Zeker als de vreemdelingenpolitie Mohammed weer op straat oppakt. Hij wordt in de cel in de Marnixstraat gezet. Na een paar dagen wordt hij opgehaald door een busje. In het busje zitten veel Marokkanen. Ook illegale Belgische Marokkanen. Het busje rijdt naar Schiphol. Bij aankomst moeten de mannen direct in het vliegtuig stappen. Ze vliegen naar hun thuisland, Marokko. Mo zegt meerdere malen dat hij een Algerijn is. Geen Marokkaan. Ze geloven hem niet. Hij is nog nooit in Marokko geweest. De mannen gaan direct een gevangenis in. In Casablanca. Onder de grond. Het is er erbarmelijk en uiterst primitief. Er is geen toilet. Mohammed heeft geld bij zich, vijfhonderd gulden. Hij vraagt de bewakers om eten voor hem te kopen. En sigaretten. De bewakers doen dat maar nemen vervolgens al het geld in beslag. Na een week vraagt Mo of hij zijn moeder mag bellen. Mohammed en zijn moeder bellen dagelijks, al jarenlang. Ze zal bezorgd zijn omdat het belcontact abrupt is gestopt. Uiteindelijk geven de bewakers toestemming. De bewakers horen aan zijn Arabische accent dat hij inderdaad geen Marokkaan is. Na lange gesprekken en verhoren is er overeenstemming dat Mohammed terug mag naar Nederland. In Casablanca weten ze ook niet wat ze met hem aan moeten. Hij landt op Schiphol en zo is hij weer terug in Amsterdam. Na weer een lang verhoor laat de douane hem gaan. Het is alsof de wind hem weer heeft terug geblazen. Naar daar waar hij hoort. Mohammed is een beetje Amsterdammer geworden.

 

~

 

Het lijkt alsof Mohammed een andere relatie met de tijd krijgt. Hij ontwikkelt een enorm geduld. Een intense rust. Hij heeft geen doelstellingen meer op korte termijn. Het wachten is geen tussenstadium meer. Het wachten is een staat van zijn geworden. Er is geen plan meer. Was er ooit een plan?

 

~

 

Mo wordt mager. Hij heeft pijn in zijn maag. Hij slaapt slecht. Zijn lichaam voelt niet goed. Vage klachten. Hij verliest gewicht. Is het zijn Algerijns-Nederlandse identiteit die na jaren niet meer in één lichaam past? En niet meer gezamenlijk in één richting kan bewegen? Hoe zou dat werken? Een mens die in twee richtingen tegelijk beweegt? Niet in totaal verschillende richtingen, maar in twee verschillende richtingen die minuscuul uit elkaar wijken. Als twee wielen aan een wagen die niet exact evenwijdig staan. Wat gebeurt er dan? Frictie in het mechaniek, metaalmoeheid? En dan gaat het langzaam scheuren. Tot er iets breekt.

 

~

 

Mo belt iedere dag met zijn moeder in Algiers. Al tien jaar. Iedere avond een uur. Het kost een vermogen.

 

~

 

Mo werd ooit opgepakt op straat. Hij zat zes dagen in een cel in Amsterdam-Noord. Hij gaf zijn naam op, Karim Ramtani. Er worden hem veel vragen gesteld. Over een strafzaak. Mohammed snapt het niet. Hij is zich niet bewust van een mogelijke strafzaak tegen hem. Zeker niet als het over mishandeling en diefstal lijkt te gaan. De politiebeambte houdt hem een formulier onder zijn neus. Een officieel document uit een dossier waarin de strafzaak tegen Karim Ramtani wordt behandeld. Er staan een duimafdruk en een pasfoto bij. Maar deze pasfoto is van een andere man. En hij kent deze man. Ook een Algerijn. En hij weet dat deze man Efrid heet. Blijkbaar heeft Efrid dezelfde valse naam opgegeven als Mo.

Er zijn nu dus drie Karim Ramtani’s. De echte Karim Ramtani is de Marokkaan waarvan niemand weet waar hij is. Dan Efrid, de crimineel die zichzelf Karim Ramtani noemt en tenslotte Mohammed zelf. Mohammed probeert uit te leggen aan de politie dat Efrid niet de echte Karim Ramtani is, maar dat die zijn naam als valse naam heeft opgegeven. Hij wordt niet geloofd. Mohammed wordt naar de vreemdelingendetentie gebracht in Rotterdam. Hij zit daar zeven maanden gevangen. Hij heeft contact met een advocaat. Maar er zit nauwelijks tot geen beweging in de zaak. Na die zeven maanden is er geen enkele ontwikkeling in de vooruitzichten van Mohammed. Hij wordt naar een nieuw detentiecentrum in Zaandam gebracht. Hij wordt daar in een cel geplaatst met een oude Algerijnse man. Deze man is ziek. Op een nacht begint de oude man te ijlen. De situatie van de oude man verslechtert in hoog tempo. Mohammed roept via een communicatiesysteem de bewakers op. Ze komen niet. Hij roept de bewaking weer op om snel te komen. Ze komen niet. Dit gaat zo uren door. Ondertussen overlijdt de man. Mo meldt via het communicatiesysteem dat zijn celgenoot is overleden. De bewaking komt nog steeds niet. De nacht gaat voorbij. De volgende morgen wordt door een luik het ontbijt geserveerd. Dan verneemt de bewaking dat de oude man is overleden. Binnen een minuut wordt de man weggehaald. Een uur later wordt Mo verzocht zijn spullen in een plastic tas te doen. Hij wordt opgehaald door een bewaker. Een kort gesprek volgt met een afdelingshoofd. Mohammed zegt dat de oude man is overleden zonder dat het nodig was. Dat hij de gevangenis zal aanklagen. Dan wordt hij naar de buitendeur van de gevangenis geleid. Hij kan vertrekken. Voordat hij het weet staat hij met de plastic tas op de stoep buiten de gevangenis. Hij loopt van Zaandam naar Amsterdam. Nu geen risico nemen zonder kaartje in een trein, waarin Arabisch getinte mannen in trainingspakken sowieso worden gecontroleerd. Hij komt naar mijn atelier. Zijn tanden zijn er slecht aan toe. Er zijn er twee uit. Hij is krankzinnig mager geworden.

 

~

 

Mo komt soms weken niet op mijn atelier. Hij verdwijnt dan in de onzichtbare lagen van de stad. Hoeveel mensen wonen daar?

 

~

 

Ik kom ’s avonds laat op mijn atelier en ga naar het opslaggedeelte. Ik doe de deur open, doe in één keer de tl-lichten aan, kijk de ruimte in en ik zie een been wegschieten achter een stapel matrassen. Been met zwarte broek en zwarte schoen. Ik schrik. Ik loop zachtjes naar binnen, ik praat tegen de insluiper, stel hem gerust en hoop dat de man zich laat zien. Dan loop ik even terug naar buiten. Ik denk na. Ik ben toch bang. Wie is deze insluiper? Eén ding weet ik zeker, het is niet Mohammed. Hij slaapt nooit hier beneden in de opslag. Hij heeft geen sleutel van deze ruimte. Dan ga ik weer naar binnen, maar na een uur zoeken kan ik de insluiper niet vinden. Wel vind ik een toilettas en een plastic tas met daarin een fles wijn in een Arabische krant gewikkeld. De man is spoorloos. Er is nog maar één mogelijkheid: hij is door een kier in het plafond naar boven gekropen. Naar de eerste etage van mijn atelier. Hij moet daar zijn. Ik kruip door diezelfde kier naar boven. Ik zoek boven alles af. Er is nog één mogelijkheid: de kleine entresol boven de werkplaats. Daar aangekomen til ik, in het uiterste hoekje, een oude matras op. Daar ligt hij. Een trillende man, zwetend, doodsbang. Het is Karim Ramtani, Mohammed. Dit is een heel gênante en pijnlijke situatie. Dat ik, uitgerekend ik, Mo heb opgejaagd in mijn atelier. Dat ik hem verneder door hem te betrappen als een dief. Terwijl hij dat niet is. De schaamte in zijn gezicht treft me diep in mijn ziel. Waarom is hij voortvluchtig en ik niet? We schamen ons allebei.

We zitten in de keuken. Allebei terneergeslagen. Allebei geschrokken. Hij kijkt me niet aan. Als ik hem vraag waarom hij zich onder een matras in mijn atelier verstopt, kijkt hij weg.

 

~

 

Ik krijg de laatste tijd steeds minder grip op Mohammed. Zijn verhalen beginnen steeds meer door elkaar te lopen. Ik snap niet dat hij niet kan zeggen wanneer hij wel of niet overnacht op mijn atelier. Hij heeft de sleutels. Hij is altijd welkom. Ik heb schone lakens, een kussen en een slaapzak voor hem neergelegd. Maar hij gebruikt die nooit. Hij kiest voor een geïmproviseerde entresol boven de werkplaats. Het is eigenlijk meer een hangende kast waar ik zelf sporadisch kom. Hij heeft daar een soort hol voor zichzelf gemaakt. Een oude matras. Een oude deken. Waarom kiest Mo voor deze zwerverssetting? Deze man, van een intellectuele moeder en een rijke vader met drie vrouwen, deze man lijkt verstrikt te raken in verschillende levens. Het lijkt erop dat Mo niet alleen op de vlucht is voor de vreemdelingenpolitie maar steeds meer voor zichzelf.

 

~

 

Mo lijkt definitief uit het oog geraakt. Hij is maanden niet meer langs geweest.

 

~

 

Ik google op Karim Ramtani. Ik zie een foto van een Karim Ramtani op een zeiljacht op de Middellandse Zee. Zonnebril. Arabisch. Zijn gezicht is niet goed te zien. Lage resolutie. Nog een Karim Ramtani? Of is dit Mo?

 

~

 

Ik ga een luchtje scheppen in de scheeps-bouwloods. Het is nacht. Het is verlaten op de NDSM. Ik zie een man lopen in de hal. Hij klimt razendsnel via een stalen ladder in één van de portaalkranen. Boven aangekomen loopt hij naar het kraanhuisje waar ooit de kraanbestuurder zat. Hij legt wat neer, glipt snel weer naar beneden en verdwijnt door de hal naar buiten. Ik herken duidelijk Mohammed. Woont hij nu in een kraanhuisje? Wil hij mij niet meer zien? Leeft hij ᾿s nachts?

Mo legt honderd euro op tafel. ‘Michiel, verander de sloten van je atelier’. Ik vraag mij af waarom. Hij kan hier slapen en koken. Als we er contact over houden dan vind ik het geen enkel probleem dat hij hier bivakkeert. ‘Michiel, doe het. Is beter voor jou, is beter voor mij.’ Hij kijkt me indringend aan. Ik vervang de sloten. Ik vraag niet waarom.

 

~

 

Ik ruim de grote oplag op van mijn atelier, de benedenverdieping. Ik ga er verbouwen.De ruimte staat tot het plafond toe vol met materialen en decoronderdelen. Dit is de ruimte waar ik Mohammed betrapte. Waar onze schaamtevolle en pijnlijke achtervolging begon. Tijdens het opruimen kom ik overal sporen tegen van Mohammed. Slaapplekken. Tassen. Sigarettenpeukjes. Heeft hij hier jaren gewoond? Woont hij hier nog steeds? Wat heeft er zich de laatste jaren eigenlijk in mijn opslag afgespeeld? Woonden of wonen hier nog veel meer illegalen? Was dit atelier een ontmoetingsplek voor onzichtbare mensen? Was Mo hier
de landlord? Was deze ruimte een opslagplaats voor illegalen? Vonden er transacties plaats?

 

~

 

Mohammed belt me. We hebben al meer dan een jaar geen contact gehad. Hij belt vanuit Duitsland. Hij vertelt me dat hij Amsterdam achter zich heeft gelaten. Hij focust nu definitief op Duitsland. Het is een fijn land. Er liggen kansen. Het is er schoon. Daarnaast heeft Mo er een vrouw gevonden waarmee hij gaat trouwen. Ze hebben een prachtige dochter die ze naar de moeder van Mohammed hebben vernoemd. Hij kent die vrouw al heel lang. Het is een nichtje van een Duitse vriend waar Mo al jaren contact mee heeft. De mensen in Duitsland zijn welvarend en dat bevalt hem. Ook zijn schoonfamilie. Het klinkt allemaal als een droom. Een lieve en mooie schoonmoeder. Ze wonen riant. Geld is geen probleem. De sfeer in het huis is goed. Ze spreken Frans met elkaar. Het leven heeft een definitieve wending genomen. Een rommelig en rafelig tijdperk in Amsterdam is afgesloten. Zijn verplaatsing naar Duitsland, zijn huwelijk, het klinkt voor mij als een heel onwerkelijke wending in zijn leven.

 

~

 

Mo is voor een paar dagen in Amsterdam. Dingen regelen. We drinken thee op mijn atelier. Ik vraag veel over zijn nieuwe leven en zijn schoonfamilie. Maar Mo laat geen foto’s zien van zijn leven in Duitsland. Die zitten in een telefoon die in Duitsland ligt. Zijn leven in Duitsland is voor mij even ontraceerbaar en onbegrijpelijk als zijn leven hier in Nederland.

Mo heeft mij een glimp van de illegale wereld van Amsterdam laten zien. Maar het is slechts het buitenste randje. Ik heb het gevoel eigenlijk weinig te weten van de ware realiteit van Amsterdam. Ik betrap mijzelf erop dat ik de wereld om mij heen maar selectief binnenlaat. Ik selecteer scherp op wat ik toelaat en buitensluit om mijn kunst te kunnen maken. Natuurlijk, mijn project met Mohammed vergroot mijn perceptie op het leven in Amsterdam, maar vervolgens focus ik vooral op de verbeelding die Mohammed bij mij oproept. Ik ben geen sociaal werker die creatieve workshops organiseert met illegalen. Daar heb ik geen zin in. Ik leef op een bepaalde manier in een vacuüm, net als vele andere kunstenaars, en daar houd ik mij vooral bezig met artistieke vraagstukken. Maar eigenlijk irriteert mij dit. Dit project gaat niet over artistieke vraagstukken. Dit project gaat over mensen die als paria’s moeten overleven in het rijkste deel van de wereld. Ik ga op zoek naar meer onzichtbare bewoners
in Amsterdam.

Ik kom via via in gesprek met verschillende illegalen en ongedocumenteerden in Amsterdam. Ik wil weten hoe andere onzichtbare mannen en vrouwen zich staande houden. Via een zekere Abdullah, een Pakistani met een verblijfsvergunning, kom ik in contact met andere Pakistani’s in Amsterdam. Ik kom er achter dat er illegale communes bestaan van Pakistani’s, Ghanezen, Mexicanen, Brazilianen en andere nationaliteiten. Abdullah woont bij mij om de hoek. De woning is vrijwel leeg, matras op de grond, niet opgemaakt, geen kasten maar heel veel dozen en plastic tassen op de grond. Daarin zitten zijn kleren en boeken. Maar ook dossiers van illegalen die Abdullah helpt. De woning is verstikkend klein. Abdullah rookt ook nog zware shag en er staat geen raam open. Hij draagt een trainingspak, een handdoekje over zijn schouder, keppeltje op en oranje Crocs aan. De tv staat op de BBC. In de hoek zit een man op een stoel die mij een verhaal wil vertellen.

Abdullah ontfermt zich over een aantal ongedocumenteerde Pakistani’s die een ontheemd leven leiden in Amsterdam. Abdullah is een montere man, klein van stuk, druk pratend. Hij stelt mij voor aan de man op de stoel, een illegale Pakistani die Jimmy heet. Jimmy woont en werkt in Amsterdam-Oost. Hij woont in bij een Pakistaanse kennis op een kleine verdieping in de Indische buurt. Hij werkt zes dagen per week van 13.00 tot 2.00 uur in een snackbar. Na het werken gaat Jimmy naar huis en gaat daar slapen op een matras die achter een bankstel in de huiskamer ligt. Hij verdient € 25 per dag. Dat is € 150 per week en € 600 per maand. Hij stuurt € 250 per maand naar huis in Pakistan. Jimmy betaalt € 125 huur per maand. Hij houdt € 225 per maand over om van te leven. Jimmy kan niet terug naar Pakistan. Hij zal bij de douane in Pakistan opgepakt worden en voor jaren de gevangenis in gaan. En de gevangenissen in Pakistan zijn de hel. Een andere optie is om tienduizenden euro’s smeergeld te betalen aan de douane op het vliegveld in Pakistan. Dat geld heeft hij niet. Dus Jimmy blijft in Amsterdam en hij draagt zijn lot en verantwoordelijkheid zonder te zeuren. Maar hij is er wel constant gespannen onder.

Hij leidt aan een huidziekte die door zijn stress en werkomstandigheden verergert. Maar hij spreekt ook acceptatie uit. Dit is zijn leven. Hij skypt veel met zijn familie. Al jarenlang iedere dag. Nu twee keer per week. Hij vertelt dan niet veel. Er valt niets te vertellen. Zijn dagen zijn identiek. Het enige wat hij aan de telefoon doet is luisteren naar de stemmen van zijn familie. Jimmy woont 650 meter van mijn huis in de Domselaerstraat.

 

~

 

Ik zie Mo fietsen door de stad. Snel en gehaast. Zwarte reistas op het voorrek van zijn fiets. Hij ziet mij niet. Ik roep hem niet. Is hij hier een paar dagen? Hij woont toch in Duitsland? Of woont hij gewoon in Amsterdam? In mijn atelier?

 

~

 

Ik bel Mohammed soms. Ik blijf nieuwsgierig naar hoe het met hem gaat. Meestal neemt hij niet op. Op een dag spreek ik hem. Hij is op dat moment in Maastricht. Uitstapje vanuit Duitsland. Hij zit met zijn vrouw en dochtertje op een plein. Het is mooi weer. Hij klinkt vrolijk. Ze blijven daar een paar dagen. Ik ben de volgende dag zeer vroeg op het atelier, zes uur. Het NDSM terrein is uitgestorven. Ik loop een beetje rond en vind het fijn dat de stad nog in ruste is. Hoe wakker is de onzichtbare stad op dit moment? Dan zie ik een man fietsen. Het is Mohammed. Karim Ramtani. Hij was toch in Maastricht? Hij ziet me. Een warrig verhaal over een spoedklusje waarom hij in Amsterdam moest zijn. Hij fietst snel weer door.

 

~

 

Ik kom in contact met een zekere Coffi. Een Ghanees die in de Bijlmer woont. Ik bel hem op en vraag of ik hem kan ontmoeten. Het is een buitengewoon fijnzinnige man. Hij praat over hoe hij de wereld het liefst voor zich ziet. Hij gelooft diep in de waarde van de kunst. Hij studeerde aan de filmacademie in Lyon en is nu een man van internationale statuur in de wereld van immigration and social development. We praten zes uur lang. Hij vertelt over zijn eigen leven, en over de commune van Ghanezen in de Bijlmer. Over de schaamte van onzichtbare mensen om zonder succes terug te keren naar hun land van herkomst. Over de misère van illegale immigranten die naar het Europese continent zijn gevlucht. Over het verlies aan eigenwaarde omdat deze mensen tevergeefs vasthouden aan de beloftes die zij hun families deden bij hun afscheid. Maar de European dream zullen ze nooit waarmaken. Coffi probeert veel ongedocumenteerden te overtuigen dat terugkeren naar het thuisland ook een optie is. ‘Be strong and give it up.’ Wat bij mij nagalmde was zijn advies aan Afrikaanse illegalen. ‘Imiteer een Surinamer. Als je op een Surinamer lijkt heb je veel minder kans dat je opgepakt wordt. In detentie terecht komen is een ramp, het kan je negen maanden kosten. Dus dreadlocks laten staan, een oorbelletje in doen, veel lachen op straat, hard praten. Opvallen. Duidelijk aanwezig zijn.’ Dit staat toch haaks op voorzichtig en onzichtbaar leven, anoniem meebewegen in de massa?

 

~

 

Ik rij door Duitsland op weg naar Amsterdam. Mijn reis begon twee dagen daarvoor in Ligurië, Italië, waar ik een huis bouw op een berg. Als ik in de buurt van Keulen kom denk ik aan Mohammed. Ik bel hem. Hij neemt op. ‘Mo, ik ben straks in Keulen. Koffie drinken?’ Ik wil hem graag een keer zien in Duitsland. Ik merk dat ik zijn verhalen over Duitsland en de man Karim Ramtani in levende lijve bij elkaar wil zien. Ik heb een heimelijke behoefte om te zien of het waar is wat Mohammed allemaal vertelt. Ik schaam me een beetje voor mijn nieuwsgierigheid maar vooral voor mijn twijfel. Waar haal ik de arrogantie vandaan om te twijfelen aan zijn woorden? Maar Mohammed is in Brussel. Helaas. Wat doet hij dan in Brussel?

 

~

 

Mo is naar Algerije geweest. Hij heeft zijn vader gezien. Ze hebben elkaar twintig jaar niet gezien. Maar hij is ook weer blij dat hij thuis is in Europa. Ik vraag hem of hij toch nog een periode met mij wil werken in mijn atelier. Nieuwe beelden maken. Nieuwe foto’s. Maar Mo wil het niet. Hij is eigenlijk wel klaar met het fotoproject.

 

~

 

Het verhaal van Karim Ramtani blijft me bezighouden. De thematiek van illegalen, van ontheemden, blijft me intrigeren. Ik begin me af te vragen of de fotowerken eigenlijk wel alleen over Karim Ramtani gaan. Welke diepgelegen onzichtbare kant van mijzelf leg ik in de foto’s? De claustrofobische lading van de foto’s is sterk aanwezig. Ik was het toch die jaren geleden in therapie was om mijn claustrofobische angsten te begrijpen en onder controle te krijgen? Ik durfde in die tijd geen tunnel meer in. En ook geen supermarkten. Zelfs een kleine wachtkamer met zes mensen was me te veel. Vliegen in een vliegtuig was al helmaal geen optie. Hoe zit het eigenlijk met de kunstenaar en zijn muze? Is de muze niet eigenlijk de spiegel van de ziel van de kunstenaar? Een spiegel met twee eigenschappen, dan weer spiegelend, dan weer doorzichtig. Een spiegel die dan weer jezelf toont, dan weer een venster is op de buitenwereld.

 

~

 

Ik ben in de Kringloopwinkel op de Distelweg in Amsterdam-Noord. Op zoek naar meubels, rekwisieten. Dan zie ik een kleine Arabische man lopen. Het is Mo. Mohammed. Karim Ramtani. Muts op. Rugzakje. We zijn beide verheugd elkaar te zien. Ik vraag hem opnieuw of we nog een serie foto’s gaan maken. Ik ga ervan uit dat hij zal zeggen dat het project voor hem is afgelopen. Hij zegt: ‘We kunnen nog wel werken, vanaf 1 januari 2014, een maand lang. Maar dan heb ik wel een woning nodig. En geld.’ We schudden elkaar de hand. Ik maak mijn atelier woonklaar. Bed. Nieuwe lakens. Witte kussens. Ik maak een storyboard met nieuwe beelden en nieuwe ensceneringen. Elke avond rij ik door de stad met een aanhanger. En alles wat ik zie en dat past in de geënsceneerde wereld van de onzichtbare man laad ik in. Mijn atelier verandert in een opslagplaats van weggegooide meubels, planten, kleding en tapijten.

 

~

 

Ik ensceneer nieuwe foto’s die nog claustro-fobischer zijn dan de foto’s die we eerder maakten. Maar ook esthetischer. Gestileerder. Hoe zit het eigenlijk met het esthetiseren van andermans pijn? Of heeft deze man helemaal geen pijn en gebeurt er hier iets anders? En speelt hij een ingenieus spel met mij. Is hij de echte kunstenaar. En ben ik zijn muze zonder dat ik dat weet. Welke performance speelt deze onzichtbare man? En welke performance speel ik?

 

~

 

Ik wil Mo los in de ruimte fotograferen. Hangend. Zwevend. Ik hang hem op aan een touw in een trapezepakje. Als een geest. Beelden die gaan over ontheemding. Los zijn zonder enige houvast. Over desoriëntatie. Maar ook beelden van een man die op een illusionist lijkt. Ongrijpbaar. Ik merk dat ik steeds meer die kant, die ongrijpbare en mysterieuze kant van Mohammed, interessant vind. Omdat ik het vermoeden heb dat bij Mohammed de werkelijkheid en de verbeelding door elkaar lopen. Dat iemand een gedeeltelijk verzonnen leven kan leiden. En doen we dit niet allemaal?

 

~

 

Ik heb besloten dat ik de onzichtbare man niet meer wil begrijpen. Het geeft mij de afstand om hem  niet op een documentaire manier in mijn werk te benaderen. Juist door de vraagtekens en de mysteries rondom mijn illegale vriend komt mijn verbeelding op gang. Zo kan ik beter mijn eigen verhaal vertellen. De onzichtbare man is een project over surrealisme geworden. Het gaat over de spanning tussen fictie en werkelijkheid. Over fantaseren. Over de imaginaire maak-baarheid van ons leven.

 

~

 

De maand januari is bijna om. Over een paar dagen vertrekt Mohammed. Voor altijd. Tenminste, dat zegt hij. We maken soms wel drie ensceneringen per dag. En we praten uren.
Hij vertelt non-stop over Algerije. Elke dag neem ik bankstellen mee die ik op weg naar mijn atelier op straat vind. We snijden de bankstellen open. Ik stop Mohammed op onmogelijke manieren in de bankstellen. We zagen kastjes door waar Mo zich in verstopt. Ik rijg Mo in matrassen. Er zit een grote esthetiek in deze beklemmende scènes.

 

~

 

Ik kom elke dag om negen uur op het atelier. Mohammed heeft dan thee gemaakt en leest de krant. Hij bekritiseert de wereld. Vooral Amerika. Hij praat continue over zijn Duitse vrouw. Blond. Intelligent. Ingetogen. En over het leven dat voor hem ligt. Over Algiers. Dat het gelukt is. Dat hij nu een dochter heeft en dat zijn vrouw in verwachting is van een tweede. Dat de auto van zijn schoonmoeder, de Mercedes Sport, mee gaat naar Algiers. Dat hij gaat trouwen in Algiers. Met zijn familie erbij. Dat het project Europa achter hem ligt. Dat het goed is gekomen. Na drie en twintig jaren. Dat het helemaal goed is gekomen. Dat het is gelukt.

text

Het verhaal